Liefde

Ik houd van jou, Ik houd van jou
Zijn wenkbrouwen fronsten
terwijl hij zijn ogen wijd open hield
Alsof hij zeggen wou, “geloof me nou”

De veelzeggende uitdrukking op zijn bleke gelaat
Als een rij uitroeptekens achter deze zin
Om het gewicht van zijn woorden te benadrukken
Hij is bang dat ik hem verlaat

Mijn hart herkent de angst en de pijn
terwijl zijn woorden echoën in mijn hoofd.
Ik ben niet meer bang, ik ben liefde
Maar ik kan niet van hem zijn

Hij tracht me te vangen maar ik ben vrij.
Met warme mond kus ik de zilte tranen van zijn wang
Ik wilde dat zijn liefde zou stromen gelijk zijn tranen
Maar hij,

Hij ziet ’t niet,

De liefde die wil stromen gelijk een onstuimige rivier
Ik overspoel hem, overspoel hem met liefde
Maar hij wil het  grijpen en begrijpt het niet
En staat zo met lege handen, overspoelt door zijn verdriet

Pure liefde, eeuwig stromend en onaantastbaar
Als je ontwaakt mijn liefste,
zal ik er zijn, pure liefde, dan zul je me zien
Als je me loslaat ben ik daar

Advertenties

Liefste liefde, lege vellen papier

Zittend aan de keukentafel staar ik jouw lege stoel
Waar na jou anderen hebben gezeten
Maar nooit meer dat gevoel
Ze moeten het hebben geweten

Stuk voor stuk schonen, die ik een zomer heb bemind
Het liefste meisje zelfs wat jaren
Toen ik haar verliet weende het als een kind
En ik?ik liet het varen

Geen woord dat ooit werd uitgesproken
heeft het werkelijk zo gevat
Als de woorden die op papier opdoken
In nachten waarin ik aan de keukentafel zat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nu is het mijn beurt: nooit meer eten, nauwelijks drinken

juk1

Ze sloeg haar ogen neer en één van de duizend prikkende tranen, die ze ervoor zo beheerst binnen had gehouden, ontsnapte. Met een vaartje parelde de glinsterende dikke druppel van haar wang, over haar roze zachte lippen, naar haar kin, waar het plots bleef hangen. Alsof het zojuist de weerzinwekkende afstand van haar kin naar haar borst met afschrik waargenomen had, en het geschrokken terugdeinsde voor een afstand die niet te overbruggen leek. Een diepe klif, evenals de plotselinge afstand tussen haar en mij.
Een brok hoopt zich op in mijn keel, wat het slikken moeilijk maakt. Het spijt me, mompel ik en mijn stem slaat over. Ik kan het niet vaak genoeg zeggen en val in eindeloze herhaling tot ik stil val. Alsof de betekenis van de uitdrukking “met stomheid geslagen” voor het eerst betekenis krijgt, wanneer ik haar aankijk en zie hoe en tiental tranen zich toch uit haar vechtende ogen heeft weten te bevrijden. Allen op hun eigen route, banen zij zich een weg over haar rood geworden huid. Ik heb het vaker zo beleefd “met stomheid geslagen”. Vanaf de dag dat ik haar ontmoette, ik weet eigenlijk niet eens meer hoe vaak. Maar iedere keer voelt het als de de eerste keer, omdat de slagen die me deden verstommen steeds harder leken te raken.
En dus zweeg ik, zij zweeg ook en probeerde haar snikken te smoren in de veel te grote wollen TRUI die ze van haar vader had bewaard. Maar het gedempte gesnotter penetreerde als – gatver, wat een klootzak ben ik ook.
Haar vader was gestorven lang voor zij volwassen werd en als kind kroop ze altijd bij hem in zijn “knuffel-trui”zoals zij het noemde, “want die was veel gezelliger als er twee mensen in zaten” zei hij dan. Ze had er altijd om moeten lachen. Ook als ze het vertelde, maar ik zag altijd de tranen achter haar lach. Ze heeft het verhaal wel minstens honderd keer verteld in die 4 jaar dat ze bij me was. Maar iedere keer met evenveel bezieling, bevlogenheid, liefde, weemoed, verdriet, vreugde. Zoveel emotie op één moment in één mens. In die ogen. Ik liet het haar vertellen en zonder moeite toonde ik elke keer de zelfde bewondering, al was het niet zo zeer om haar verhaal maar om het schouwspel op haar gelaat. Ik wilde haar. Ik wilde haar van mij maken, haar vriend, haar vader, haar broer, haar minnaar zijn. Haar knuffeltrui. Maar nu, het was allles wat ze nog had, dat rook naar liefde, naar veiligheid.

Hoewel, als ik zo naar haar keek, en dat deed me veel verdriet, de grote warme TRUI leek enkel nog een vale, vuile wollen deken, gevuld met kille leegte en daar midden in zat een heel klein wan-hoopje verdriet.
De Sarah die ik kende leek uit haar ogen weggespoeld met haar tranen.
Weemoedig dacht ik aan de middag dat we elkaar ontmoetten in het park. Boris, mijn oude eigenwijze rotweiler/labrador mix, was weggelopen tijdens een rondje door het park. Ik had mijn ogen even gesloten terwijl ik een shagje rookte en mijn rug liet vallen in het gras. Toen ik mijn ogen opende was hij verdwenen. Ik stond op en riep zijn naam, floot een paar keer op mijn vingers maar het mocht niet baten. “klotebeest’ mompelde ik.
Ik was al minstens een half uur naar hem op zoek toen ik Sarah bij het vijvertje met haar voeten in het water zag zitten. Naast haar stonden twee afgetrapte legerkistjes met twee verschillende sokken er in gepropt en daarnaast lag Boris alsof er niets aan de hand was. Haar hand maakte langzaam cirkeltjes over de woelige haren op zijn buik en Boris genoot zichtbaar. Sarah keek naar haar voeten, die in het water heen en weer bewogen en zachte golven op het water maakte. Toen ik Boris zijn naam riep, keek hij even op en legde toen zijn hoofd weer neer. Hij had geen zin om op te staan, hij vertoefde prima zo in het zonnetje aan de waterkant met deze schone die zijn buikje liefdevol kriebelde. “Boris” riep ik nog een keer, nu engiszins geërgerd. Maar het beest gaf geen sjoege, Sarah wel, ze leek geschrokken. Ze staakte haar geaai en stond op. Ze veegde haar voeten droog aan het gras en trok haastig haar sokken en SCHOENEN aan. Ze struikelde zowat terwijl ze hinkend op mij af liep. “sorry” zei ze stamelend, ” Is dit jouw hond? Hij leek een beetje verdwaald, ik zag niemand en ben toen maar met hem gaan zitten. Hij is erg lief” Ze zweeg en keek me vragend aan. “Hij is erg lief” Ik herhaalde haar woorden, langzaam, alsof ik ze letter voor letter wilde proeven op mijn tong. Haar blonde krullen vielen voor haar gezicht terwijl ze haar ogen neersloeg en frummelde aan haar, nonchalant over haar schouder gevallen, bloemetjes JURK. Ik voelde me belachelijk en probeerde mezelf te herpakken. “Boris is een schat” zei ik, “maar af en toe, toch zo’n eigenwijze drommel” Ik lachte en stak mijn hand uit “Peter” zei ik, “Dankjewel dat je op Boris hebt gepast, hij heeft het goed naar zijn zin gehad zo te zien” Ze lachte nu ook en stak haar hand in die van mij “Sarah” zei ze. Haar hand was zacht en op haar kleine neus VOL sproeten verschenen kleine rimpeltjes als ze lachte “Om het goed te maken; heb je zin om samen een ijsje te eten?” vroeg ik. In haar ogen verscheen een twinkeling, “Ja, dat wil ik wel” zei ze enthousiast.
Ze hurkte om haar legerkisten volledig dicht te strikken en mijn ogen werden als MAGNETEN aangetrokken door haar bescheiden, doch niet te missen, decolleté. Ze trok het mouwtje van haar JURK terug over haar schouder en stond daarna op.
Samen liepen we naar de ijskraam die aan de overkant van de vijver stond. Onderwerg groette ze vreemde mensen, lachte ze veel en praatte ze honderd uit. Haar verlegenheid leek als sneeuw voor de zon verdwenen. Af en toe ging ze zo op in haar enthousiasme van haar eigen verhalen dat ze een paar passen huppelde. Daarna stond ze twee tellen stil zodat ik weer naast haar liep en dan stak ze haar arm door de mijne terwijl ik met mijn handen in mijn jaszakken stugjes aan door liep en trachte niet van mijn stuk te geraken van haar ontwapenende en bruisende ENERGIE. Af en toe hield ze even stil zodat ook Boris weer naast ons liep. Hij was niet zo vlotjes meer als vroeger. Dan aaide ze hem over zijn bol, mompelde wat, voor mijn oren onverstaanbaars en liep dan weer verder. Blijkbaar verstond Boris haar goed want steeds na zo’n aai over zijn bol sjokte hij toch een tandje sneller.
Bij de ijsco kraam aangekomen bestelde ik een pistache walnoten ijsje op een horentje. “Wat wil jij?” vroeg ik. Ze wilde twee smurfbolletjes, die vond ze het lekkerst zei ze. “Mag ik ook slagroom en discospikkels?” vroeg ze een beetje verlegen maar haar ogen twinkelden al bij het idee. “Tuurlijk, jij mag kiezen wat je wilt, je hebt tenslotte Boris van een eenzame verdwaling gered” terwijl ik de woorden uitsprak, hoorde ik hoe belachelijk ze klonken. Ik voelde me stom en de woorden echoden nog na in mijn hoofd en in mijn ooghoek zag ik de ijscoman misprijzend naar mij kijken.

Maar Sarah lachte breed en haar ogen volgden gulzig de handelingen van de ijscoman. Toen hij het ijsje aan haar overhandigde naam ze een grotere hap slagroom dan ze in haar mond kon houden. Ze lachte weer en de rimpeltjes verschenen deze keer nog dieper in haar neus. Plots gaf ze me een kus. Met stomheid geslagen, de tweede keer was het toen denk ik. En dat op één dag. Ik lachte naar haar. “je bent lief’- “fuck, zei ik dat hard op?”
De grote rij witte tanden met discospikkels, werd nu nog verder ontbloot. “Jij ook” zei ze en ze stak haar arm weer door die van mij en we liepen verder.
We liepen tot het donker werd en daarna bracht ik haar naar huis. Of nou eigenlijk, naar de hoek van de straat, waar ze zei dat ze woonde.
Ik gaf haar mijn telefoonnummer en ze beloofde me te bellen. Ik wilde dat ze dat niet gedaan had. Maar ze belde de volgdende week. Ze wilde langskomen. “wanneer?” vroeg ik haar. “Nu” antwoorde ze, enigszins verbaasd. Alsof er geen ander tijdstip bestond. “dat is goed” antwoorde ik verrast door haar doortastendheid.

Toen ik de telefoon neerlegde maakte ik me flink kwaad om mijn vrijgezellen hol toonbaar te maken om een meisje zoals Sarah te ontvangen. Onbegonnen werk. Maar op zijn minst kon ik mijn lakens verschonen. Aangezien mijn bed eveneens als bankstel fungeerde. En ik haar niet wilde confronteren met de gore vlekken die de gedachte aan haar op mijn lakens hadden achtergelaten. Ik bracht een bord met peuken, wat flesjes bier naar de keuken en zette ze in een afwasbak onder mijn aanrecht. Ik haalde een stofzuiger en dweil door het huis en spoot wat toiletspray door de kamer.
Toen ik onder de de douche wilde stappen ging de deurbel “fuck”
Ik riep naar beneden dat ik er aankwam en draaide de kraan weer dicht. Gorgelde wat mondwater en omdat ik geen onderbroek vinden kon schoot ik in mijn jeans zonder.
Ik snelde naar beneden en deed de deur voor haar open. Fonkelende ogen, rimpeltjes in haar neus. Ze was er weer.
Ze had een dekentje voor Boris. Het was van haar vaders hond geweest. Een oude herder, die vlak na het overlijden van haar vader ook was heen gegaan. Vanaf de dag dat de man overleden was had het beest niet meer willen eten en nauwelijks willen drinken. Hij was gestorven van verdriet vertelde Sarah. “ik heb het ook geprobeerd” zei ze “Maar misschien was mijn liefde niet zo groot als die van Hunter” vervolgde ze. Ik hield het hongerstaken maar drie dagen vol. Over haar moeder sprak Sarah niet. Noch over haar broer of kleine zusje. Het was alsof zij nooit hadden bestaan. Het dekentje was van fleece en stond vol kleine zwarte hondenpootjes. We kregen het een keer bij voer. Mijn vader vond het maar een suf ding, meer iets voor zo’n klein schoothondje. Maar Hunter had zich er aan verknocht, ging ze door. Ik weer zeker dat Boris dat ook zal doen. Hij lijkt op Hunter, weet je. Niet zo zeer qua uiterlijk maar qua energie” Ik knikte.
We liepen naar boven. Boris snuffelde aan het dekentje, likte haar hand en plofte toen met een dankbaar gegrom neer op het kleedje. “Zie je wel” zei Sarah.
Nu zat ze tegenover mij, op de grond, beneden aan de trap, in haar vaders trui. Boris was oud en is zo lang niet meer meegegaan. Zijn kleedje ligt nu gewassen en opgevouwen in de kast. Zoals ook mijn onderbroeken en andere kleding. De afgelopen twee jaar.
Naeen blijkbaar enorme ruzie met haar moeder, omdat ze voor de zoveelste keer weer uren te laat thuis kwam nadat ze een middag bij mij had doorgebracht. Kwam ze die avond nog geen 2 uur nadat ze vertrokken was op haar fiets weer terug, Haar haren plakten aan haar gezicht van haar tranen en een veeg bloed zat op haar wang. Ze wilde er niet over praten.
Ik nam haar in mijn armen en liet haar huilen. Wel een half uur lang. Ze wrong zich los om naar het toilet te gaan. Ze moest spugen. Ik heb haar onder de douche gezet en haar gewassen. Ze liet me gedwee mijn gang gaan. Ik waste haar haren, haar rug, haar billen en ook daartussen. Haar hals, haar borsten, haar navel en langzaam aan naar beneden en gleed zachtjes met mijn vingers bij haar naar binnen. Ze kreunde en huilde. Ik droogde haar af en legde haar op bed. Ze kroop tegen me aan en duwde haar kruis op mijn bovenbeen. Weer gleed ik met mijn handen over en tussen haar billen om zo zachtjes twee vingers bij haar naar binnen te duwen weer kreunde ze en trok me boven op haar.
Na drie maanden dat ze bij me woonde voelde ik me gevangen in een patroon. Ik was ik het zat. Iedere keer als we vreeen huilde ze. Ik vond het zorgelijk maar ze wilde er nooit over praten. “Sssshh” zei ze dan, “houd me vast.” Aanvankelijk deed ik wat ze vroeg en ik hield haar vast. Op die momenten voelde ik me verscheurd. Ik maakte me zorgen maar ik wilde haar niet dwingen te praten en als ik haar dan vasthield was het bijna alsof ze in me wilde kruipen. Ik voelde me daardoor sterk, haar rots in de branding. Ze voelde zich veilig bij mij zei ze, geborgen. Iets waar ze zo naar had verlangt. “Je bent mijn grote liefde” zei ze dan “voor jou zou ik ook het eten en drinken staken, ik ben nu sterker dan toen, weet je” Ik werd heen en weer getrokken tussen trots, liefde, onrust, en een zware steen op mijn maag.

Maar de steen werd steeds groter en liet weinig ruimte om de andere gevoelens nog te laren bestaan. Het huis was aan kant. Ze leek het heerlijk te vinden om voor me te koken en te poetsen en zich s avonds te laten neuken terwijl ze dan zachtjes griende. Maar het gaf me zo’n rotgevoel. Alsof ik misbruik van haar maakte.

Ik trok het niet meer, Godverdomme! riep ik af en toe uit als ze weer begon te janken terwijl ik met haar vree. Soms voelde ik alsof ze met me speelde, alsof ik meegetrokken werd in die belachelijke achtbaan van emoties van haar, en steeds weer dat zelfde ritje…op en neer… we raakten in een misselijkmakende sleur: we neukten, zij huilde, ik werd kwaad, zij verstijfde en wachtte tot de bui overgetrokken was en was dan weer zo lief, zo zacht, zo Sarah, dat ik het ook maar weer liet gaan. Ik wist me eigenlijk geen raad met de situatie.
Want elke keer dat ik kwaad werd sloeg ze eigenlijk altijd alleen maar dicht. Ze zei dan niets meer en keerde inzichzelf. Wat me nog kwader maakte, niet alleen op haar maar ook op mijzelf. Ik voelde me dan een nog grotere klootzak. De boosheid leek als een kankergezwel te groeien. Een vulkaan die borrelde, na even rust, liefde brak het vuur zich weer baan. Ik schreeuwde, vloekte, tierde, jankte haast. Maar het maakte geen verschil

Want wat Sarah voelde of dacht, daar kon altijd alleen maar naar gissen. Ze wachtte rustig af. Sloot zichzelf op in haar imaginaire panic room van katatonie. Als een lappenpop zat ze dan voor me, bewegingsloos, emotieloos. Tot ik mijzelf tot kalmte maande en mijn armen naar haar uitstrekte. Waar ze dan als een geslagen hond voorzichtig in kroop.
Maar vandaag bereden we een andere baan. Zo had ik haar nog niet gezien. Als een uitbarsting van een orkaan. Die heel wat langer had geborreld dan die van mij, spuwde ze vuur… De eerste vloek kwam van mij, maar tijd voor een tweede kreeg ik niet. Ze duwde mijn naakte lijf van het hare, sprong uit bed en begon zich aan te kleden. Ze struikelde in haar laarzen, net als die dag aan het water maar deze keer onder een tirade, zo kende ik haar stem niet eens “Godverdomme, jij smerige klaploper, luie uitvreter, met je gekanker op alles en iedereen. Kankeren kun je wel maar in beweging komen? Ho maar! Een jankende zielige smerige behaarde uit de kluiten gewassen kleuter ben je. Een beetje hoeren schilderen, roken, drinken en zeiken op de maatschappij, de desperado, de kunstenaar, je bent goddomme niet een van je karakters in die waardeloze boeken die je schrijft en die geen hond wil kopen. Word volwassen, zoek een baan, neem je verantwoordelijkheid!

Aanvankelijk was ik weerom, alsof ze het er om deed, met stomheid geslagen en had haar enkel zwijgend gade geslagen. Maar toen ze haar tas ingepakt had of eigenlijk volgepropt brak er iets in mij. Ik voelde me met mijn rug tegen de muur staan.

“Donder dan op” had ik gezegd. Ze greep haar tas en bewoog zich naar trap die naar de voordeur leidde. Grootmoedig. Maar waar moest ze dan naartoe. Ik liep haar achterna want ik was nog lang niet uitgevloekt en getierd. Ik wist dat ze niet wegkon en deed er nog een schepje bovenop. Ik vertelde haar dat ze knettergestoord was en dat ik nu snapte waarom haar moeder haar uitkotste met haar belachelijke moodswings en dat ze niets meer was dan een oportunistische hoer. Dat ik haar vlucht was uit dat miezerige bestaan van haar. Dat ze dankbaar mocht zijn dat ik die grote bek van d’r gevoederd had. Verantwoordelijkheid? Ik ben goddomme niet je vader!!

Alle woorden had ze me uit laten spreken, zonder er tussen te willen komen of ook maar een spier in haar gezicht te vertrekken of met haar ogen te knipperen.

Maar dat laatste kwam binnen, ik zag het in haar ogen. Ik wilde haar beetpakken en sorry zeggen, maar te laat: Ze sloeg me in mijn gezicht.
Ik sloeg haar terug. Godverdomme, een reflex. Ze wankelde, ik strekte mijn armen naar haar uit. Maar een seconde te laat. Want weerom, met stomheid geslagen, ik had haar geslagen.
Ze viel.

Haar lichaam maakte een dof geluid op enkele treden van de trap. Ik snelde naar beneden. En wilda haar beetpakken. Maar ze trok haar benen op in haar vaders grote knuffeltrui en sloeg haar armen daar om heen. Bij haar kruis zag ik een grote donkerrode vlek verschijnen in haar vale spijkerbroek. Die alsmaar groter werd.

Ik staarde haar aan.
Ze greep naar haar buik, liet zich vallen en lag als een feutes op de koude betonnen vloer, beneden aan de trap. Ze bewoog zachtjes heen en weer. De tranen hingen aan haar kin en het snot vermengde zich met speeksel op haar lippen.
Het zonlicht scheen door door glazen voordeur naar binnen. De zon scheen een ander licht op haar en ik zag de schemer naderen.

Ik staar haar nog steeds aan. Onze ogen ontmoeten. “Neeeeeeeeeee, toch Sarah neeee?” schreeuw ik Haar ogen lijken te knikken. “Ik wist het pas” snottert ze en de deuren van haar panic room openen, ze rent naar buiten en werpt zich in mijn armen.

Godverdomme, godverdomme, Sarah, godverdomme, als een mantra vloek ik haar naam en pak haar op om haar dicht tegen me aan te drukken.
Ze verstopt haar hoofd tussen mijn borst
en schouder. Ze kermt nu als een baby in mijn armen. Samen met het snot en speeksel dat over haar lippen en kin vloeit voel ik haar warme tranen tegen de huid van mijn blote hals. Waarin ze langzaam verdwijnen alsof ik het verdriet dat ik haar heb aangedaan voorgoed met me mee zal moeten dragen.
Ik houd haar strak tegen me aan. Ze klampt zich gewillig aan me vast.
Als een klein aapje dat helemaal in me wil klauteren.

Ze huilt en snikt hartverscheurend, ook de betekenis van dàt woord dringt eigenlijk nu pas echt tot mij door. Hartverscheurend. Ze huilt en huilt en vult de emmers van het juk dat ik zal dragen met haar tranen.
Godverdomme, ik zal het dragen ik zal haar dragen.
Ik trek haar nog dichter tegen me aan en ze duwt haar gezicht
nog dieper tegen mijn borst. Ik leg mijn hand op haar hoofd en streel
haar haren.

Tranen prikken met spelden en speren aan de
binnenkant van mijn ogen maar ik houd me groot. Ik houd me groot voor
haar. Nog dichter trek ik haar tegen mij aan. Ik hoor haar snotterige
neus pruttelen. Ik houd van haar, ik draag haar pijn, ik trek haar nog
dichter tegen mij aan. Ze roept wat, maar haar woorden klinken
gesmoord. Ik versta niet wat ze zegt. Ik trek haar nog dichter tegen
mij aan. Ze is onrustig. En nog dichter trek ik
haar tegen me aan.

Een heuse worsteling ontstaat. Godverdomme, laat me je vasthouden, laat me je troosten. Godverdomme Sarah. Mijn tranen vechten zich nu ook naar buiten. “het spijt me” fluister ik, mijn stem trilt
Haar armen, haar benen, haar hele lijf worstelt en vecht. Ik druk haar nog steviger tegen mij
aan. Ik houd haar stevig in mijn armen, uren-durende minuten tot ze stil is. Haar tranen op zijn en haar pijn is verdwenen.
Ik til haar op en leg haar op mijn bed. Haar gezicht is smerig van snot, slijm, tranen en uitgeveegde make-up. Maar ze huilt niet meer, ze ligt zo stil, ademloos. Mijn adem is buiten zinnen. Mijn hart bonkt in mijn borst en keel. Diepe teugen neem ik om mijn lichaam rustig te maken en haar zonder het hevige trillen van mijn handen aan te raken. De snotterige natte haren uit haar bleke gezicht te duwen.

Met wat spuug, veeg ik de zwarte vegen van haar mascara van haar wangen en dan laat ik me op mijn knieeen vallen naast het bed. Ik kijk naar haar. Urenlang, tot mijn ogen afdwalen naar het witte laken onder haar en ik me opsluit in de panic room van katatonie. Hier is waar ze altijd was als ik haar niet bereiken kon…

Dit ooit zo hagelwitte laken was grauw en bevlekt. we hadden het bewaard, dat vond ze romantisch.

Rood druivensap was in het schone witte katoen gekropen om er nooit meer uit te gaan. Wassing na wassing werden de vlekken valer maar het laken eveneens.
De herinnering echter was zo helder als de zon toen straalde.
Dit witte laken dat fel afstak in de zon. In het park waar ik haar voor het eerst zag, waar wij ieder jaar terug kwamen met een dekentje of een laken met wat hapjes een drankje, Boris naast ons op de grond in het zachtgroene gras.
‘Rood druivensap uit een liter-pak, waarmee wij in plastic wijnglazen geklonken hadden op ieder jaar dat we samen waren, We dronken het warme zoete sap alsof het wijn was. Ik verloor me gulzig in het moment, dronken van de zinnenprikkelendewarmte van de zon. Zij lachte en ze straalde onuitputtelijk
Tot die zelfde zon vandaag door mijn voordeur ruit een ander licht op haar scheen en het voorgoed donker werd in mij’

Ik pak een glas uit de kast maar trek het deurtje weer open nog voor het helemaal gesloten is, ik zet het glas terug. Ik draai de dop van mijn mooiste whiskey open en ga weer zitten aan het bed. Nu is het mijn beurt: Nooit meer eten, nauwelijks drinken.

© 2014, Caricia Sin Censura

betekenis

woord

 

een woord alleen is maar een woord

zonder anderen geen zin

zoals “eenzaamheid”

verloren, tussen alle woorden in

(wat tussen haakjes staat zou je weg kunnen laten)

 

© 2014, Caricia Sin Censura

 

 

 

 

 

 

Ingehaald door verleden

 

3360

 

 

In de palmen van mijn handen

voel ik de eeuwen oude wonden, branden

iedere keer in stilte, wanneer ik je liefkozend streel

of als je te dichtbij komt, bruut beveel

om weer bij mij uit de buurt te gaan

Je zou vanzelf  voorgoed gaan

Als je wist welke monsterlijke storm er in dit hart woedt

Dus zeg ik, met geveinsde kille overtuiging, dat t het moet

In je betraande ogen zie ik vol walging wat ik weer heb aangericht

duizend kleine spiegels die gebroken biggelen over je gezicht

“Het spijt mij” wil ik zeggen maar mijn keel weigert te spreken

Het is niets nieuws, ik blijf weer in gebreke

En deze laatste keer heeft de laatste stilte, het laatste woord

Kom draai je om, kijk niet terug en maakt voort.

Al geloof je het nu niet, na een poosje dan ben je mij vergeten

En hoe machteloos ik je lief heb gehad hoeft geen mens ooit te weten

 

© 2014, Caricia Sin Censura

 

 

 

 

 

Aside

Wachtend op de herfst…

daisy

Voor mijn lieve kleine Daisy

Je raakte mij aan, zonder doel,  zonder handen

zonder het te willen of te weten

Met je stralende pretogen dicht geknepen tegen de zon

Om zo, ongelukkig, in het voetlicht van mijn verlangen te belanden

Ik weet nog, als je lachte

hoe die zonnen van sproeten zich verholen en verscholen,

onder de fragiele rimpeltjes in jouw neus, en zo een moment leken verdwenen

maar al  gauw weer verschenen, als je even wachtte…

tot  jij die grote ogen opende, zodat ik weer, met geweldige zin en tegenzin, zou verdrinken

In die oceanen van liefde tussen die zwarte, lang gekrulde wimpers van jou.

wegdromend op die roze zachte lippen, nog nimmer door een mens beroerd

Mijn handen balden zich tot vuisten, om niet  dieper dan ‘gedachten ‘te zinken

Verzengende zomerhitte,  weerstand,  verbeten

Maar je lachte te vaak, zonder na te denken, 

peurend in mijn ziel en zonder het te willen of  te weten,

een stille oorlog, aanvoerend, tussen mijn  hunkering  en geweten

In de la ligt, vandaag nog,  die kleine krans met madeliefjes, die ik voor je vlocht

en die  jij die dag, als een kleine prinses, hebt gedragen in je lange blond haren..

Nu dor, droog en dood  brengen zij  die zwarte zomerdag weer tot leven

die blonde zachte donskrulletjes vlak bij je oor, al lang verloren nog voor ik uit alle macht vocht

De madelieven liggen in het donker als ik de  lade sluit

Een vergeet-mij-niet  blijft  in t voetlicht staan

Omringt door schaduwen van spijt  en de zwaarte van het donker

Wat je ooit of nooit, zonder het te willen of weten, zou doen of worden, blijft uit

‘Ga naar huis, en wacht tot het herfst wordt’

© 2014, Caricia Sin Censura

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aside

zij sloten de deuren zodat zij niet in de sloten lopen zou…

large

 

Zo verdwaald in de dingen

zoals ze horen of moeten gaan

die mij in een keurslijf dwingen

als muren om kaarsrecht tegen op te staan

 

met natuurlijk niets dan goede bedoelingen

die zijn daarin ook het meest effectief

Als je echt hard en stevig wilt dwingen

gaat dat t beste met bloedende neus en vooral een vreselijk lief

 

Maar het hindert niets

het strijden blijft enkel bestreden

Wanneer  je kunstig  door je leven fietst

Zonder toekomst of verleden

 

mijn wapens heb ik neergelegd

Mijn kruit al lang en breed verschoten

Mijn vader had het wel gezegd

pas op voor de zeven sloten

Maar de sloten zijn van de deuren

En ik loop zover ik  lopen kan

En wat kan er in zeven sloten nou gebeuren

Dat niet al in het hoofd gebeuren kan

Ik ben vrij, heb ik besloten

Ik heb mijn vleugels gespreid

val in- en klim uit honderd sloten

Ik voel mij bevrijd

En adem!

 

© 2014, Caricia Sin Censura

 

 

 

 

 

Aside

Ik wil niets meer dan van jou, dan van je houden…

 

voeten

Als een klein kind voor de voor de zee

op blote voeten, ren je bij me vandaan

als ik dichterbij kom, maar als ik omdraai, loop je mee

en heel soms, zomaar even, perongeluk, raak je me  aan

 

Maar zelfs als je naakt voor me staat,

ik naar je kijk in het volle licht

En er niets is dat me nog ontgaat

Verhul je je naakte gezicht

 

maar in je ogen is te lezen

dat ik niet alleen verlang

naar een ander mens in wezen

dat mijn hart ontbangt

 

Maar als een terug geschrokken zee

Zal ik je blote voeten niet raken tot jij ze me geeft

En op iedere golf die je inzet vaar ik vol vertrouwen  mee

Alleen je adem wil ik voelen, opdat ik weet dat je leeft

 

© 2014, Caricia Sin Censura

De stekker er uit!

Light-Bulb
Aan het eind van mijn, eindeloos lang, uitgestrekte armen
Staat nog steeds die oude man, bitter, stokdoof en stekeblind,
vol minachting, zuur en teleurgesteld, uit te kotsen wat hij vind
Alsof ik al die tijd de grote open noordpool heb willen verwarmen,
Ik trek een dekentje over mij heen
steek een kaarsje aan,
Ik brand het voor mij alleen
Ik ga voor energiezuinig voortaan,
In de verte klinkt… de stilte is nabij
© 2014, Caricia Sin Censura

Welkom zijn

mooi
Vandaag begraven we hem ,zijn kind, in mij, en haar vergeefse hoop
Vaarwel ouwe heer
Diep onder de grond, onder zoden onder zand
Vaarwel kleine meid
Bedolven onder ladingen met stront, met de doden hand in hand
Vaarwel eeuwenoud zeer
Het einde nadert een nieuw begin als ik met haar het graf in loop
Vaarwel eeuwige strijd
Welkom “zijn”
© 2014, Caricia Sin Censura